Dagboek van een tolk #8: Zeg dat het niet waar is
Drie huisgenoten in een keuken en een moeder die opneemt terwijl de televisie nog aanstaat.

Donderdag, tien over zes. Mijn thee is nog warm als de telefoon gaat. Een agent vraagt of ik een uur beschikbaar ben. Een overlijden in een woning, verklaringen van huisgenoten, alles in het Pools. Ik pak pen en papier en zeg ja.
Hij legt kort uit wat er is. Een jonge man van vierentwintig is in zijn kamer gevonden door een huisgenoot. Er was niets meer aan te doen. De politie moet nagaan wat er is gebeurd. Meer zegt hij niet.
In de keuken
Drie mannen zitten in de keuken. Ik hoor ze door de speaker, een stoel die schuift, iemand die zijn keel schraapt. Eén praat te snel. De tweede zegt bijna niets. De derde heeft de deur opengedaan. Hij vertelt wat hij zag, één keer en zonder omwegen. Ik vertaal zin voor zin. Niemand onderbreekt hem. Als hij klaar is, blijft het lang stil.
Dan begint de agent met zijn vragen. Rustig, in dezelfde volgorde als altijd. Hoe heette hij, hoe lang woonde hij er, wanneer is hij voor het laatst gezien. De tweede man praat voor het eerst:
„Hij zei altijd goedemorgen. Twee dagen niet.”
De agent vraagt waarom ze dan pas na twee dagen zijn gaan kijken. De man die de deur opende, antwoordt langzaam. Dat ze andere diensten draaiden. Dat ze hem soms een week niet zagen. Dat hij geen gedoe wilde: als je klopte, zei hij dat hij moe was. Dat iemand hem die middag een bericht had gestuurd over de boodschappen en geen antwoord kreeg. „Toen ben ik gaan kijken.” Ik vertaal het zoals het komt, ook de zin waarin hij zichzelf iets verwijt. Ik haal er niets uit.
Wat voor jongen was hij
Wat voor jongen was hij? De agent vraagt het zonder haast. De eerste man begint snel te praten. Rustig, zegt hij. Hij ruimde altijd de keuken op. Hij belde elke zondag naar huis, op dezelfde tijd, met een oortje in. Hij had een foto van zijn moeder op de kast staan. Drank? Af en toe een biertje, meer niet. De derde schudt zijn hoofd bij elke vraag en zegt dat hij het niet weet. Ik vertaal ook dat. „Ik weet het niet” is ook een antwoord.
Heeft hij ooit iets gezegd over zijn situatie, vraagt de agent. Over geld, werk, thuis, een relatie? Er valt een stilte die ik niet kan vertalen. Dan zegt de eerste man dat Kamil schulden had in Polen, door zijn vader. Dat hij vaak zei dat hij terug wilde, maar dat hij zich schaamde, omdat hij het hier niet had gered. Dat hij geen vrienden had buiten het werk. Dat de huisarts hier alleen paracetamol geeft, had hij een keer gezegd, en dat hij daar niet meer naartoe wilde.
De agent vraagt of iemand hem ooit heeft horen zeggen dat hij zichzelf iets wilde aandoen. De eerste kijkt naar de tafel, hoor ik aan zijn stem, en zegt zacht:
„Hij zei vorige week dat hij het niet meer zag zitten. Ik dacht dat hij gewoon moe was.”
Ik vertaal het zoals het er staat. De agent schrijft het op en zegt niets. Ik ook niet.
Het telefoontje naar zijn moeder
Een van hen heeft het nummer van Kamils moeder. De agent vraagt of ik het gesprek wil doen. Ik antwoord ja. Het is half acht. Een vrouw neemt op, op de achtergrond staat een televisie aan. Ze klinkt gewoon. Ze denkt dat het de buurvrouw is.
De agent stelt zich voor en vraagt of ze de moeder van Kamil is. Dan zegt hij dat hij een slecht bericht heeft. Ik vertaal het woord voor woord. Aan de Poolse kant valt het stil. De televisie praat gewoon door.
„Hij heeft zondag nog met mij gebeld. Hij zei dat alles goed ging.”
Ik geef het door. Een man neemt de telefoon over, haar man, hij verstaat de agent niet. Ik leg alles nog een keer uit, langzamer. Op de achtergrond hoor ik haar stem, hoog en dun:
„Zeg dat het niet waar is.”
Ik vertaal het zonder het zachter te maken. De agent zegt rustig dat het hem erg spijt en dat het geen vergissing is. Ik breng het over. Dat is de zwaarste zin van de avond. Daarna vraagt ze nog twee dingen.
„Was hij alleen?”
De agent zegt eerlijk dat hij op zijn kamer was en dat zijn huisgenoten hem hebben gevonden. En dan, nauwelijks hoorbaar:
„Wat heeft hij nog gezegd?”
De agent zegt dat hij dat nu niet kan beantwoorden, maar dat er morgen iemand belt die alles rustig met hen doorneemt. Ik vertaal. Ze zegt niets meer.
Koude thee
Het gesprek duurt elf minuten. De agent vraagt of er iemand bij hen is. De man zegt dat de buurvrouw er zo aan komt. De agent geeft een nummer en zegt dat ze hem dag en nacht mogen bellen. Dan hangt hij op. Ik kijk naar mijn thee. Hij is koud.
Hoe het verder gaat, hoor ik niet. Zij hoorde het nieuws van een agent en van een vreemde stem. Dat laatste ben ik. Een uur later zit ik nog op dezelfde stoel en denk ik aan een jongen die elke zondag belde, en aan een moeder die gewoon opnam.
Goed om te weten
- Denkt u aan zelfdoding, of maakt u zich zorgen om iemand? Bel 113 Zelfmoordpreventie op 113 of gratis op 0800-0113. Dag en nacht, anoniem, ook via chat op 113.nl. Bij direct levensgevaar belt u 112.
- In Polen kan dat via 116 123 (gratis, dag en nacht) of 800 70 2222 (Centrum Wsparcia).
- Neem een bericht als „ik zie het niet meer zitten” serieus. Bel de persoon, vraag er rustig naar en schakel hulp in.
- Wie iemand heeft gevonden, mag hulp vragen bij de huisarts. Dat is geen zwakte.
- Begrijpt u de politie niet goed, vraag dan om een tolk en om herhaling. Dat mag ook als het om slecht nieuws gaat.
Tot slot
Ik kies de woorden niet, maar ik spreek ze wel uit.
Personages en details zijn fictief. De verhalen zijn gebaseerd op ervaringen uit het werk als tolk.